Bibliotheek
Alle anatomische onderdelen per categorie. Bekijk de visualisaties en lees de beschrijvingen.
neuron
Dendrieten
Vertakte uitlopers die signalen ontvangen van andere neuronen.
Cellichaam (soma)
Het cellichaam bevat de celkern en de meeste organellen. Het integreert binnenkomende signalen.
Celkern (nucleus)
Bevat het DNA en stuurt de celfuncties aan. Essentieel voor de productie van eiwitten.
Axon
Lange uitloper die elektrische signalen (actiepotentialen) wegleidt van het cellichaam.
Myelineschede
Isolerende vetrijke laag rond het axon, gevormd door Schwann-cellen. Versnelt signaalgeleiding.
Knopen van Ranvier
Onbedekte stukjes axon tussen myelinesegmenten. Hier springen signalen van knoop naar knoop (saltatoire geleiding).
Axonuiteinden
Vertakte uiteinden (synaptische terminals) die neurotransmitters afgeven aan de volgende cel.
nefron
Glomerulus
Kluwen van haarvaten waar bloedfiltratie plaatsvindt. Hoge druk perst vloeistof uit het bloed.
Kapsel van Bowman
Dubbelwandige beker die de glomerulus omgeeft. Vangt het filtraat op.
Proximale tubulus
Kronkelig buisje na het kapsel. Hier wordt het meeste water, glucose en zouten teruggeresorbeerd.
Lis van Henle
U-vormige lus die diep in het niermerg reikt. Cruciaal voor de concentratie van urine.
Distale tubulus
Kronkelig buisje dat terugkeert naar de glomerulus. Fijnregeling van zout- en zuurbalans.
Verzamelbuis
Buis die filtraat van meerdere nefronen opvangt. Laatste concentratiestap onder invloed van ADH.
hart
Rechterboezem
Ontvangt zuurstofarm bloed uit het lichaam via de holle aders (vena cava superior en inferior).
Linkerboezem
Ontvangt zuurstofrijk bloed uit de longen via de longvenen (venae pulmonales).
Rechterkamer
Pompt zuurstofarm bloed naar de longen via de longslagader. Heeft een dunnere wand dan de linkerkamer.
Linkerkamer
Pompt zuurstofrijk bloed naar het hele lichaam via de aorta. Heeft de dikste spierwand.
Aorta
De grootste slagader van het lichaam. Voert zuurstofrijk bloed vanuit de linkerkamer naar alle organen.
Longslagader
Arteria pulmonalis — voert zuurstofarm bloed van de rechterkamer naar de longen.
Holle aders
Vena cava superior (boven) en inferior (onder) — voeren zuurstofarm bloed uit het lichaam terug naar het rechterboezem.
Tricuspidalisklep
De klep tussen het rechterboezem en de rechterkamer. Heeft 3 klepbladen (cusps) die voorkomen dat bloed terugstroomt.
Mitralisklep
De klep tussen het linkerboezem en de linkerkamer. Heeft 2 klepbladen (bicuspidalisklep). Voorkomt terugstroom naar het boezem.
Aortaklep
Semilunaire klep tussen de linkerkamer en de aorta. Drie halvemaanvormige klepbladen voorkomen terugstroom naar het hart.
Pulmonalisklep
Semilunaire klep tussen de rechterkamer en de longslagader. Voorkomt dat bloed terugstroomt naar de rechterkamer.
Chordae tendineae
Peesdraden die de klepbladen van de AV-kleppen (tricuspidalis en mitralis) verbinden met de papillaire spieren. Voorkomen dat kleppen doorslaan.
Papillaire spieren
Spierbundels die uitsteken van de kamerwand. Verankeren de chordae tendineae en voorkomen klepinsufficiëntie tijdens contractie.
Septum
De scheidingswand tussen de linker- en rechterhelft van het hart. Voorkomt menging van zuurstofarm en zuurstofrijk bloed.
Pericardium
Het hartzakje — een dubbelwandige beschermlaag rondom het hart. Bevat een kleine hoeveelheid vocht voor soepele beweging.
longen
Trachea (luchtpijp)
Buis van kraakbeenringen die lucht van de keelholte naar de bronchiën voert. Ongeveer 10-12 cm lang.
Rechter hoofdbronchus
Korter, breder en steiler dan links. Splitst in 3 lobaire bronchiën (rechterlong heeft 3 kwabben).
Linker hoofdbronchus
Langer en smaller dan rechts. Splitst in 2 lobaire bronchiën (linkerlong heeft 2 kwabben).
Rechterlong
Heeft 3 kwabben (boven, midden, onder). Iets groter dan de linkerlong omdat het hart meer naar links ligt.
Linkerlong
Heeft 2 kwabben (boven en onder). Iets kleiner door de incisura cardiaca (hartinkeping).
Alveoli (longblaasjes)
Miljoenen druifvormige blaasjes waar gasuitwisseling plaatsvindt: O₂ naar bloed, CO₂ naar lucht.
Diafragma
Koepelvormige ademhalingsspier onder de longen. Samenknijpen = inademing, ontspannen = uitademing.
spijsvertering
Slokdarm (oesofagus)
Gespierde buis (±25 cm) die voedsel van de keelholte naar de maag vervoert via peristaltiek.
Maag (gaster)
Gespierd hol orgaan dat voedsel mengt met maagzuur (HCl) en pepsine. Capaciteit ±1,5 liter.
Lever (hepar)
Grootste interne orgaan. Produceert gal, ontgift bloed, slaat glucose op en maakt eiwitten.
Galblaas (vesica fellea)
Klein peervormig orgaantje onder de lever. Slaat gal op en geeft het af aan de dunne darm voor vetvertering.
Pancreas (alvleesklier)
Dubbelrol: produceert spijsverteringsenzymen (exocrien) en hormonen zoals insuline en glucagon (endocrien).
Dunne darm (intestinum tenue)
Circa 6 meter lang, 3 delen: duodenum, jejunum, ileum. Hoofdlocatie voor absorptie van voedingsstoffen.
Dikke darm (colon)
Circa 1,5 meter. Absorbeert water en zouten, vormt ontlasting. Bevat biljoenen darmbacteriën.
Appendix (blindedarm)
Wormvormig aanhangsel bij het begin van de dikke darm. Speelt een rol bij de immuunfunctie van de darm.
cel
Celmembraan
De buitenste begrenzing van de cel. Een dubbele fosfolipidenlaag die selectief stoffen doorlaat en de cel beschermt.
Cytoplasma
De gelachtige vloeistof binnen de cel waarin alle organellen zweven. Bevat enzymen en voedingsstoffen voor celprocessen.
Celkern (nucleus)
Het controlecentrum van de cel. Bevat het DNA en stuurt de aanmaak van eiwitten aan. Omgeven door een kernmembraan.
Mitochondriën
De energiecentrales van de cel. Produceren ATP via celademhaling. Hebben een eigen dubbel membraan met cristae (plooien).
Endoplasmatisch reticulum
Een uitgebreid stelsel van membraanbuisjes. Het ruwe ER (met ribosomen) maakt eiwitten; het gladde ER maakt lipiden.
Ribosomen
Kleine eiwitfabriekjes die mRNA aflezen en aminozuren koppelen tot eiwitketens. Komen vrij in het cytoplasma of gebonden aan het ER voor.
Golgi-apparaat
Het postkantoor van de cel. Ontvangt eiwitten van het ER, verpakt en sorteert ze, en stuurt ze naar hun bestemming binnen of buiten de cel.